Vulkaanbegrippen A–Z: woordenlijst over vulkanen
Wat is een eruptie, wat betekent vulkanogeen en is een zandvulkaan echt een vulkaan? In deze woordenlijst vind je 63 vulkaanbegrippen kort en correct uitgelegd — handig voor school, je spreekbeurt of gewoon uit nieuwsgierigheid.
A
- Aa-lava
- Basaltlava met een ruw, scherp en brokkelig oppervlak. Ontstaat wanneer lava tijdens het stromen afkoelt en ontgast; de Hawaïaanse naam wordt wereldwijd gebruikt. Vergelijk pahoehoe.
- Actieve vulkaan
- Een vulkaan die in het Holoceen (ongeveer de laatste 11.700 jaar) is uitgebarsten of nu tekenen van onrust vertoont. Volgens die definitie zijn er op land zo’n 1.350 potentieel actieve vulkanen.
- Andesiet
- Een intermediair vulkanisch gesteente (ongeveer 52–63% silica), typisch voor stratovulkanen boven subductiezones, zoals in de Andes waarnaar het genoemd is.
- As (vulkanische as)
- Fragmenten van gesteente en vulkanisch glas kleiner dan 2 mm. Anders dan houtas is vulkanische as hard, schurend en lost ze niet op in water.
B
- Basalt
- Het meest voorkomende vulkanische gesteente op aarde: donker, arm aan silica (ongeveer 45–52%) en uitgevloeid als dunne lava. De oceaanbodem, IJsland en Hawaï bestaan grotendeels uit basalt.
- Bradyseïsme
- Het langzaam stijgen en dalen van de bodem door magma of hydrothermale vloeistoffen in de ondergrond. De term wordt vooral gebruikt voor de Campi Flegrei-caldera bij Napels.
C
- Caldera
- Een groot bekken dat ontstaat wanneer de bodem tijdens of na een grote uitbarsting in een leeggelopen magmakamer instort. Voorbeelden: Yellowstone, Santorini, Campi Flegrei, Tambora.
D
- Daciet
- Een silicarijk vulkanisch gesteente (ongeveer 63–68% silica) tussen andesiet en rhyoliet in. Mount St. Helens en Pinatubo stootten daciet uit.
E
- Effusieve uitbarsting
- Een uitbarsting waarbij lava relatief rustig naar buiten stroomt in plaats van uiteen te worden geblazen, zoals op Kīlauea of in IJsland.
- Eruptie (uitbarsting)
- Elk vrijkomen van magma, gas of oudere gesteentefragmenten uit een vulkaan aan het aardoppervlak — van een rustige lavastroom tot een enorme explosie. ‘Eruptie’ en ‘uitbarsting’ betekenen hetzelfde.
- Eruptiekolom
- De opstijgende pluim van heet gas en as boven een explosieve uitbarsting. Pliniaanse kolommen bereiken 20–50 km; de pluim van Hunga Tonga in 2022 reikte tot ongeveer 57 km.
- Explosieve uitbarsting
- Een uitbarsting waarbij gasrijk, meestal stroperig magma in as en puimsteen uiteenspat en wordt weggeblazen. Gemeten met de VEI.
F
- Freatische uitbarsting
- Een door stoom aangedreven explosie doordat grondwater plotseling wordt verhit; er komt geen vers magma naar buiten. Vaak vrijwel zonder waarschuwing (Ontake 2014, Whakaari 2019).
- Freatomagmatische uitbarsting
- Een explosieve uitbarsting doordat magma water raakt, met fijne, natte as als gevolg (bijv. Surtsey 1963, Eyjafjallajökull 2010 onder het ijs).
- Fumarole
- Een opening waaruit vulkanisch gas en stoom ontsnappen, vaak met gele zwavelafzettingen eromheen. Een zwavelrijke fumarole heet een solfatare.
G
- Gang (dike)
- Een plaatvormige magma-intrusie die gesteentelagen doorsnijdt, meestal verticaal. Het meeste magma bereikt het oppervlak via gangen; de spleeterupties in IJsland worden erdoor gevoed.
- Geiser
- Een hete bron die periodiek een kolom heet water en stoom uitstoot, verwarmd door magma op diepte (bijv. Strokkur in IJsland, Old Faithful in Yellowstone).
H
- Hotspot
- Een plek waar ongewoon heet mantelmateriaal opstijgt (een mantelpluim) en ver van plaatgrenzen door een plaat heen smelt, zoals onder Hawaï en Yellowstone.
I
- Ignimbriet
- Gesteente gevormd uit de afzetting van een grote pyroclastische stroom, vaak door de eigen hitte aaneengekit. Supererupties laten ignimbrietdekens van honderden km² achter.
K
- Krater
- Een komvormige laagte op de top of flank van een vulkaan waar materiaal wordt uitgeworpen. Veel kleiner dan een caldera.
- Kratermond (eruptieopening)
- De opening aan het oppervlak waardoor vulkanisch materiaal naar buiten komt.
- Kraterpijp (toevoerkanaal)
- Het pijpvormige kanaal waardoor magma vanuit de magmakamer naar de kratermond opstijgt.
L
- Lahar
- Een snelle vulkanische modderstroom van as, gesteente en water. Lahars doodden in 1985 zo’n 23.000 mensen in Armero (Colombia). Het woord komt uit Indonesië (Javaans).
- Lapilli
- Vulkanische fragmenten van 2 tot 64 mm groot (Latijn voor “steentjes”).
- Lava
- Gesmolten gesteente dat het aardoppervlak heeft bereikt; ook het gesteente dat ontstaat als het stolt. Typische temperatuur: ongeveer 700–1.200 °C.
- Lavakoepel
- Een steile bult van stroperige lava die zich boven een kratermond opstapelt. Instortende koepels kunnen dodelijke pyroclastische stromen veroorzaken (Merapi, Soufrière Hills).
- Lavameer
- Een plas gesmolten lava die langdurig in een krater blijft staan, zoals bij Erta Ale, Nyiragongo, Erebus en (soms) Kīlauea.
- Lavatunnel
- Een tunnel die ontstaat wanneer het oppervlak van een lavastroom stolt terwijl daaronder gesmolten lava blijft doorstromen; leeggelopen blijft er een grot over.
- Limnische eruptie
- Het plotseling vrijkomen van koolstofdioxide dat in het diepe water van een meer is opgelost. Bij het Nyosmeer (Kameroen) verstikte de gaswolk in 1986 ruim 1.700 mensen; bij het Monounmeer stierven in 1984 37 mensen. Omdat er vulkanisch CO₂ blijft toestromen, kan hetzelfde meer opnieuw gas opbouwen — het Nyosmeer wordt daarom sinds 2001 via pijpen kunstmatig ontgast.
M
- Maar
- Een brede, ondiepe krater die ontstaat door een freatomagmatische explosie wanneer magma grondwater raakt; vaak gevuld met een meer. De Eifelmaren in Duitsland zijn klassieke voorbeelden.
- Magma
- Gesmolten of deels gesmolten gesteente onder het aardoppervlak, meestal met kristallen en opgeloste gassen. Zodra het uitvloeit, heet het lava.
- Magmakamer
- Een voorraad magma in de aardkorst, meestal enkele kilometers diep. Volgens modern onderzoek zijn dit vooral ‘papperige’ zones van kristallen met zakken smelt, geen grote holtes vol vloeistof.
- Mantelpluim
- Een kolom heet gesteente die langzaam vanuit de diepe mantel opstijgt en een hotspot voedt.
- Moddervulkaan
- Een kegel of poel waar modder, water en gas (vaak methaan) onder druk naar boven komen. De meeste hebben niets met magma te maken; Lusi op Java (sinds 2006) is het bekendste voorbeeld.
O
- Obsidiaan
- Natuurlijk vulkanisch glas dat ontstaat wanneer silicarijke lava te snel afkoelt om kristallen te vormen. Het breekt met vlijmscherpe randen en werd voor gereedschap gebruikt.
P
- Pahoehoe
- Basaltlava met een glad, golvend of touwachtig oppervlak. Vergelijk aa-lava.
- Pliniaanse uitbarsting
- Een langdurige, zeer explosieve uitbarsting met een torenhoge kolom, genoemd naar Plinius de Jongere, die de Vesuvius in 79 n.Chr. beschreef.
- Puimsteen
- Licht, schuimig vulkanisch gesteente vol gasbelletjes; het drijft vaak op water. Ontstaat uit gasrijk, silicarijk magma.
- Pyroclastisch materiaal (tefra)
- Alle fragmenten die bij een explosieve uitbarsting worden uitgeworpen: as (<2 mm), lapilli (2–64 mm) en blokken of bommen (>64 mm).
- Pyroclastische stroom
- Een over de grond razende lawine van heet gas, as en gesteente, vaak sneller dan 100 km/u en 200–700 °C heet. Het dodelijkste vulkanische gevaar.
R
- Rhyoliet
- Het silicarijkste vulkanische gesteente (ongeveer 68–77% silica). Het stroperige magma veroorzaakt de grootste explosieve uitbarstingen, waaronder die van Yellowstone.
- Ring van Vuur (Ring of Fire)
- De ongeveer 40.000 km lange hoefijzervormige gordel van subductiezones rond de Stille Oceaan, met ongeveer 75% van de actieve vulkanen ter wereld.
S
- Schildvulkaan
- Een brede vulkaan met flauwe hellingen, opgebouwd uit vele dunne basaltische lavastromen, zoals Mauna Loa en Kīlauea.
- Silica (kiezelzuur)
- Siliciumdioxide (SiO₂), het hoofdbestanddeel van magma. Meer silica maakt magma stroperiger en uitbarstingen explosiever.
- Slakkenkegel (sintelkegel)
- Een kleine, steile vulkaan opgebouwd uit losse brokken (slakken) die uit één opening zijn geworpen, vaak tijdens één uitbarsting. Parícutin (Mexico, 1943–52) is het schoolvoorbeeld.
- Slapende vulkaan
- Een vulkaan die nu niet uitbarst maar dat naar verwachting wel weer zal doen. De grens tussen “slapend” en “actief” is niet scherp; de Vesuvius is sinds 1944 rustig maar geldt als zeer gevaarlijk.
- Spleeteruptie
- Een uitbarsting uit een lange scheur in plaats van één kratermond, met ‘gordijnen’ van lavafonteinen. Typisch voor IJsland (Holuhraun 2014–15, Sundhnúkur 2023–25).
- Stratovulkaan (samengestelde vulkaan)
- Een steile kegel opgebouwd uit afwisselende lagen lava en pyroclastisch materiaal, zoals Fuji, Vesuvius en Mayon. Het gevaarlijkste vulkaantype.
- Stromboliaanse uitbarsting
- Licht explosieve, ritmische uitbarstingen van gloeiende lavabrokken doordat grote gasbellen aan het oppervlak openbarsten, zoals op Stromboli.
- Subductiezone
- Een plaatgrens waar de ene plaat onder de andere duikt. Water dat uit de dalende plaat vrijkomt, laat de mantel erboven smelten en voedt explosieve vulkanen.
- Supervulkaan
- Informele term voor een vulkaan die een VEI 8-uitbarsting (meer dan 1.000 km³ materiaal) heeft gehad, zoals Yellowstone of Toba.
T
- Tuf (tufsteen)
- Gesteente van samengeperste vulkanische as. Tufsteen uit de Duitse Eifel werd gebruikt voor veel romaanse kerken in Nederland.
U
- Uitgedoofde vulkaan
- Een vulkaan die naar verwachting nooit meer uitbarst omdat de magmatoevoer is verdwenen, zoals de vulkanen van het Zevengebergte bij Bonn.
V
- VEI (Vulkanische Explosiviteitsindex)
- Een schaal van 0 tot 8 voor de omvang van explosieve uitbarstingen, vooral gebaseerd op het uitgestoten volume; vanaf VEI 2 is elke stap ongeveer tien keer zo groot.
- Viscositeit
- De weerstand van een vloeistof tegen stromen. Stroperig magma met een hoge viscositeit houdt gas vast en barst explosief uit; dun magma stroomt gemakkelijk.
- Vog
- Vulkanische smog: een nevel van zwaveldioxide en sulfaatdeeltjes, bekend benedenwinds van Kīlauea.
- Vulkaan
- Een opening in de korst van een planeet waar magma, gas en gesteentefragmenten het oppervlak bereiken — en de berg of het landschap dat zich eromheen opbouwt. Genoemd naar het Italiaanse eiland Vulcano, verbonden met de Romeinse vuurgod Vulcanus.
- Vulkaniaanse uitbarsting
- Korte, hevige explosies die een verstopte kraterpijp vrijmaken en as en blokken uitwerpen, genoemd naar Vulcano (uitbarsting van 1888–90). Sakurajima is een modern voorbeeld.
- Vulkanische bom
- Een klodder lava groter dan 64 mm die uit de kratermond wordt geslingerd en in de lucht deels stolt, vaak met een gestroomlijnde of ‘broodkorst’-vorm.
- Vulkanisme
- Alle processen waarbij magma en de bijbehorende gassen door de aardkorst opstijgen en het oppervlak bereiken, inclusief uitbarstingen, hete bronnen en fumarolen.
- Vulkanogeen
- Ontstaan door vulkanische processen — bijvoorbeeld vulkanogene sedimenten, of vulkanogene massieve sulfide-ertsen (VMS) die door hete bronnen op de zeebodem zijn gevormd.
- Vulkanologie
- De wetenschap die vulkanen, magma en uitbarstingen bestudeert, inclusief monitoring en risicobeoordeling. Een onderzoeker op dit gebied heet een vulkanoloog.
Z
- Zandvulkaan (wel)
- Een kegeltje zand dat ontstaat wanneer water onder druk zand naar het oppervlak perst, bijvoorbeeld bij bodemverweking tijdens een aardbeving of achter rivierdijken bij hoogwater (zandmeevoerende wel). Ondanks de naam heeft het niets met magma te maken.
Verder lezen
Zie de begrippen in samenhang in Vulkanologie 101, de eruptietypes, vulkanische gesteenten en vulkanische gevaren. Werk je aan een spreekbeurt? Lees dan ook spreekbeurt over vulkanen.